Pagina's

zondag 3 mei 2020

Naaimachines



We zullen doorgaan… dagelijks horen we het liedje op Radio 1 in de versie van een bekende muzikant. De ene cover is soms al wat beter dan de andere maar hier gaan we het nu niet over hebben. Ik ga het hebben over ‘mondmaskers’. Wie me een beetje kent weet dat naaien nooit een van mijn passies is geweest. Het zit niet in de genen. Noch mijn grootmoeders, noch mijn mama waren gezegend met het talent. Eigenlijk mag ik dit niet zeggen want ik weet het niet. Ik heb ze het nooit zien doen en geen van hen had een naaimachine… of toch, meme Germaine, mijn grootmoeder langs vaders kant, had een Singer: zo een antiek exemplaar onder een houten kap. Ze stond veilig opgeborgen in een kast in de veranda en ik kan me niet herinneren dat meme Germaine er ooit achter heeft gezeten. Haar zus, tante meseur (in de volksmond) of tante nonneke in het klooster van Kuurne, had het talent wel. Ze gaf zelfs snit en naad in de naaischool. Soms was ze mijn redder wanneer er weer één of ander naaistukje klaar moest zijn voor school. Ik moet wel zeggen dat ik het werkstukje toch vaak alleen maakte wat me natuurlijk de lieveling van de leerkrachten naaien maakte… niet dus. In het katholieke meisjesonderwijs werden we toen nog opgeleid tot goede huisvrouwen. Hoe ontvangen we onze gasten, hoe verzorgen we onze baby’s en handwerk… allemaal in een uurtje les. Ik was altijd het kneusje van de klas tijdens dat uurtje. ‘Hoe slaag je erin een kussensloop te haken dat onderaan 20 cm breed en bovenaan 40 cm is?’ Weet ik niet mevrouw, dat ging gewoon zo…’ Ik wist het eerlijk gezegd ook niet. Mijn tulp op een doekje borduren is maar half af geraakt omdat mijn draad altijd wel in de ‘knoop’ raakte, de draad brak door of de naald brak in twee. Horendol werd ik ervan. Zoals gezegd kreeg ik thuis of bij de grootmoeders niet veel hulp zoals dat bij de andere leerlingen vaak het geval was. De naai-activiteiten van Meter Netje, grootmoeder langs moederzijde beperkten zich tot het aannaaien van een knoop of het stoppen van een kous. Toen werden nog kousen gestopt met een marmeren ei erin om de twee zijden van elkaar gescheiden te houden. Tenminste dat denk ik toch. Thuis hadden we een groene en die heeft me altijd gefascineerd maar meer om de vorm en het materiaal.
Enkele jaren verstreken zonder dat ik het naaitalent nodig had. Ik lag er niet echt wakker van tot ik mijn man leerde kennen. Zijn familie langs vaders kant had een kledingzaak waar zijn grootmoeder haar naaitalenten kon botvieren. Dat was de super league van het naaien. Ook mijn schoonmoeder en schoonzus bleken goed overweg te kunnen met de naaimachine. Mijn schoonmoeder naaide zelfs het kleed van mijn schoonzus voor ons trouwfeest. Ik vond dat ik op zijn minst ook eens kon proberen. Mijn schoonmoeder leerde me stikken, rechte lijnen, en ik ben erin geslaagd onze eerste gordijnen te maken. Maar daar is het toen bij gebleven. De ambitie was er nochtans en ik kocht een Singer naaimachine in een of andere aanbieding bij Blokker. Ik kan me zelfs niet meer herinneren of ik er ook mijn gordijnen mee heb gestikt of dat ik die heb voleindigd met de machine van mijn schoonmoeder.
De naaimachine stond in de kast tot een van de buitenlandse doctoraatsstudenten op mijn werk me vertelde dat ze graag naaide en dat ze het miste nu ze geen naaimachine ter beschikking had. Ik leende die van mij uit en het nieuws verspreidde zich snel op de faculteit. Geregeld nam ik de machine mee naar het werk en Isabelle en haar naaimachine werden zowaar een item. Hoewel ik er zelf niet mee naaide. Ik veranderde van faculteit en mijn Singer werd weer werkloos.
En dan breekt Corona uit… Mondmaskers is het woord van de laatste twee maanden. Eerst waren ze niet nodig, dan wel en dan ineens verplicht maar er zijn er niet genoeg. Naaien blijkt ineens een overlevingstalent. Filmpjes over het maken van mondmaskers voor mensen die niet zo bedreven zijn met naald en draad zoals ik verschijnen op sociale media. Het moet gezegd, het kan lukken maar eerlijk gezegd ben ik misschien wel een beetje fier en zie ik me niet de trein opstappen met een in stukken gesneden T-shirt voor mijn mond. Laat staan dat ik de faculteit architectuur zo binnentreed. Creativiteit is dan wel belangrijk bij architecten maar een beetje ambacht is wel nodig.
Dus besliste ik deze week de machine terug onder het stof te halen en een poging te wagen. Lieven Scheire kan het ook, waarom zou het mij niet lukken. En als het lukt, kan ik er maken voor verenigingen want ambitieus ben ik wel. Eerst wat stof zoeken die hiervoor kan dienen. De resten van de gordijnstof, waarmee al de schoolwerkjes van mijn dochters werden voorzien en waarbij ze nog altijd over klagen over het gebrek aan variatie in stof, zijn op. Daarenboven zie ik mezelf ook niet rondlopen met de gordijnstof die 15 jaar geleden al uit de mode was. In het kiezen van tijdloze stoffen ben ik ook al geen talent. Ik vond gelukkig nog wat lapjes stof die ik blijkbaar enkele jaren geleden in een opwelling om terug te naaien had gekocht in de Veritas. Nu nog stof voor lintjes… ik dacht dat de gordijnenlinten wel konden dienen. Daar heb ik nog meters van maar die zijn te breed en ook niet zo handig.
De naaimachine wordt opgesteld in huis en ik beslis mijn eerste mondmasker ‘in het klad’ te maken met een zakdoek en dan toch het gordijnenlint. Dan begint het gevecht met de machine… het bedraden lukt me niet echt. Mijn naaimachine is al zo verouderd dat de handleiding enkel nog te vinden is op een Chinees YouTube filmpje. Dat begint goed maar gelukkig is beeld bij filmpjes vaak belangrijker dan tekst. Het nadeel is dat het filmen nogal amateuristisch is en het niet altijd even duidelijk is hoe het moet. Bijna geef ik het op… iedere keer wanneer ik denk het goed te hebben loopt de draad vast… Ik weet weer waarom ik het naaien niet leuk vind. Mijn ongeduld wordt op de proef gesteld. Ik bespreek mijn frustratie met collega’s en blijkbaar moet je de machine eens oliën omdat ze beter zou werken. Uiteraard niet met extra-vierge olijfolie maar met machineolie. Die hebben we natuurlijk niet in huis. Reden genoeg om er toch niet aan te beginnen, denk ik. Maar ik wil niet opgeven. Op de sociale media zie ik heel wat zelfgemaakte mondmaskers passeren van vrienden en ik wil het ook kunnen. Zo onhandig ben ik nu toch ook niet. Na een tiental keer het filmpje te hebben bekeken, heb ik uiteindelijk de hulp van mijn man ingeroepen. Stammende uit een hele familie naaiers is hij een ervaringsdeskundige. En ja, na samen nog een paar keer het filmpje te bekijken van mijn Singer in een groezelig Chinees naaiatelier is het ons gelukt. De bovenste en de onderste draad vormen nu samen een steek. Hoera!
Ik snijd mijn stofje, speld waar nodig, eventjes strijken en dan onder de naald ermee. Het ziet er poepsimpel uit op het filmpje van mondmasker.be. Toch het wordt het een uitdaging. Voor een onervaren naaister als mezelf zijn er nog drie obstakels. Het leren stikken op een lijn had ik al onder de knie en de lijntjes van de zakdoek komen hiervoor ook goed van pas. Maar dan, die lintjes meenaaien en vooral de plooitjes erin stikken en de dunne zoompjes. Eens de naald de plooi bereikt schuift de stof weg en is het terug een plat stukje stof,… maar ik geef niet op. Pak nog wat restjes stof die ik vind en zet me eraan: plooitjes leren stikken, dunne zoompjes stikken en lintjes mee stikken. Het begint zowaar te lukken. Het gezoem van de naaimachine maakt me zelfs rustig. De opperste concentratie laat me even de wereld vergeten en het vervolledigen van een eerste proefmasker lukt me. Hier en daar nog een paar details. Ik ben zowaar een beetje fier… het is nog niet echt een exemplaar om op straat mee te lopen maar het zit erin. Ik voel het. Binnenkort prijk ik over straat met exemplaren aangepast aan de outfit. Had ik toch maar stof gekocht bij Dries Van Noten toen hij een ‘Fabric Sale’ hield en ik verkeerdelijk dacht dat het een fabrieksverkoop was van outfits en geen stoffenverkoop…. Maar niet getreurd, er komt zeker nog een ‘Fabric sale’ en tegen die tijd maak ik zelf de outfit met bijpassend mondmasker.
We zullen doorgaan zing ik bij mezelf…

woensdag 18 maart 2020

Naar de bakker....




Het lijkt niet wezenlijk. Het zonnetje schijnt en de natuur ziet er mooi uit. En toch, sinds gisteren zitten we in een ‘lockdown light’ of hoe we het ook mogen noemen. Het is de tweede in mijn leven. Een kleine dertig jaar geleden woonden we in Los Angeles en toen braken de ‘riots’ uit. Een zeer onterechte uitspraak waarbij blanke politie-agenten werden vrij gesproken toen ze Rodney King bijna dood sloegen. Heel Los Angeles stond in brand en de zwarte bevolking was in opstand: winkels werden geplunderd, er werd gevochten met basebalbats, ook geweren, er werd brand gesticht… blank zijn was toen moeilijk. Het staat niet op je gezicht geschreven dat je met hen sympathiseert. Samenscholingsverbod werd ingevoerd, winkels werden gesloten en het werd stil in de straten van Los Angeles.
Deze morgen wandelde ik naar de bakker. Niemand op straat wat in een landelijke gemeente als Boutersem op woensdagmorgen geen rariteit is…. Onze bakker vervult hier haar sociale rol en meestal is het de plek van een ontmoeting en een babbel. Deze morgen was anders. Mensen stonden aan te schuiven op het voetpad met een tweetal meter tussen iedere persoon. Maximum twee personen mogen de winkel binnen. Het was stil… alsof we elkaar zouden besmetten met onze woorden. Een dame verbrak de stilte toen ze buitenkwam. ‘De volgende mag binnen’ riep ze en ratelde rustig verder over het mooie weer en dat het wachten zal lastiger worden als het koud en nat zal worden. Misschien zou een afdak kunnen helpen. Had ze ook aan de bakker gezegd. Haar wellicht tactiele manier van communiceren zorgde ervoor dat ik ineens achteruit sprong want ze kwam mijn perimeter binnen en ze strekte haar arm uit om wellicht me vrolijk een klopje te geven. De man voor mij keek bezorgd toe. Zoveel frivoliteit en onvoorzichtigheid in deze tijden.
Ik dacht onmiddellijk terug aan de eerste lockdown en hoe grimmig de sfeer toen was. Ondanks het Californische mooie weer durfde niemand de straat op. De vijand was toen duidelijk. Huizen waren verwoest, mensen liepen boos op straat rond.
Dit keer is het anders. Alles ligt er vredig bij, de bomen komen in bloei, narcissen en krokussen fleuren de tuinen op, zelfs de vogels zijn in opperbeste stemming. Tussen die zichtbare vredigheid dwaalt dan toch een virus rond, niet te zien, niet te horen of te ruiken. Onzichtbaar houdt het ons in de greep. Een brood halen lijkt bijna op een survivaltocht.

donderdag 7 mei 2015

Terug naar Zuid-Afrika


Deze keer mag Johannesburg de spits afbijten. Johannesburg is in alle opzichten een andere stad dan Kaapstad. Er zijn niet de prachtige kusten, Kaapse idyllische witte huizen omgeven door groene wijngebieden en de paarste bougainvilleas.  Het is dor, er zijn de vele littekens van de mijnbouw in de wijde omgeving en vooral de stad is niet dominant blank maar zwart. Niet het mooie decor intrigeert deze keer maar wel de verschillende Afrikaanse ritmes die het leven van de stad bepalen. Het is de stad die de entanglement die ik in mijn thesis beschreef nog meer symboliseert. Verschillende culturen raken mekaar en verweven zich tot een nieuwe vorm van samenleven. De vele getuigenissen en de reportages over de beeldenstorm en xenophobia van de afgelopen weken zijn er een triest gevolg van maar er zijn ook de mooie getuigenissen die we hebben waargenomen in de afgelopen dagen. Onze eerste bezoek aan de WITS  Art Galery kon de geschiedenis en de complexiteit van het land niet beter beschrijven. Penelope Siopsis is een blanke Zuid-Afrikaanse artieste die met haar werk de dramatiek van de blanke overheersing kan bevatten. Haar collages over Zwart Afrika en haar videos over de blanke heerser en hun idyllische leven tegenover de pijn en de haat van de zwarte die uitmonden in moord op een blanke Ierse dokter of op de aanslag op Verwoerd zijn zeer confronterend. Het trauma dat de blanke overheersing hier op het land heeft achtergelaten is gigantisch en verklaart de gebeurtenissen van de laatste maanden.  Haar Pinky Pinky doorspekt met spijker symboliseert het helemaal.  
Onze indruk van Johannesburg is er nochtans niet een van verbittering. De straten van Braamfontein, de studentenwijk, zijn de place to be in Johannesburg. Alles wat hip en happening is, komt er samen.
Rooftop cafés en evenementen zijn de nieuwe trend en ook wij genieten van de neighbourhood market. Een oude parkeergarage biedt nu plaats aan een drank- en eetfestijn en live muziek. Je zou je op hapje tapje op een zomerse dag in België kunnen wanen. De verkopers zijn meestal van Afrikaanse origine maar het voedsel dat wordt aangeboden is er een van Europese couleur locale. Zo kopen we onze Engelse Pulled Pork sandwiches aan een Congolees. De man herkent direct onze Belgische roots en begint spontaan in het Frans te babbelen. Het kunnen spreken van Frans leek de man te doen heropleven. De markt op Braamfontein lijkt zo een beetje te symboliseren wat het nieuwe Zuid-Afrika zou kunnen worden, een mix van blank, gekleurd, geel en zwart, oud en nieuw, Westers en Afrikaans alles overgoten met een hip sausje.
Constitution Hill contrasteert fel met de studentenbuurt. Je wandelt niets vermoedend door Theatre park waarbij je wordt verwelkomd door een bord met een waarschuwing dat je op eigen risico betreedt. Kinderen zijn er als de kippen bij om ons geld te vragen en we besluiten na het zien van enkele drugsverslaafden rechtsomkeer te maken en toch maar de wagen te nemen. Het is weer wennen om kleine afstanden al rijdend te overbruggen. Het is zaterdag en Constitution Hill is leeg, de oude gevangenissen liggen er wat verweesd bij en de Supreme Court laat niet zoveel indruk achter als ik had gedacht. Er is de eeuwige vlam van de democratie en het geheel heeft precies wat van zijn grandeur verloren. Het zicht dat je vanop de omwallingen hebt is spannender. Het zicht op Hillbrow laat je binnenkijken in de vele flatgebouwen die de omgeving rijk is. Ze worden voornamelijk bewoond door migranten en dit laat zich zien. Iedere verdieping is als het ware versierd met satellietschotels en de was wappert er overal vrolijk rond. Op de straat staan vele groepjes te keuvelen. Een eeuw geleden zag deze plek er wellicht helemaal anders uit. Toen was  Hillbrow nog een Britse wijk en daar zijn enkel de koloniale gebouwen nog een herinnering aan. Het vogelperspectief geeft een vrolijk en kleurrijk beeld, de werkelijkheid op de straten is veel grimmiger.
Jo’Burg blijft een stad met veel gezichten. Maboheng is een klein juweeltje in de stad. De oude industriële opslagplaatsen maken er plaats voor de nieuwe Jo’burger. Nog meer als Braamfontein is dit de wijk van kunstenaars en het experiment. We bezoeken er het African Design Museum waar kunstenaars uit andere delen van Afrika hun beeld geven over de wereld. Van kunstwerken uit recycled materiaal tot video’s over de haarkunst die voor de zwarte Afrikaan een belangrijk deel van hun zijn is. Kort daarna geraken we aan de babbel met een Congolese en Zuid-Afrikaanse schone, beiden getooid met een kunstig kapsel, het een al spectaculairder dan het ander. Ze vertellen ons over hun vriendschap maar ook over de vele haatgevoelens tegenover buitenlanders. Nochtans verliest de Congolese de glimlach niet en prijst ze de zangkwailiteiten van haar Zuid-Afrikaanse vriendin. Helaas zijn we niet lang genoeg in Jo’burg want we werden uitgenodigd tot haar concert.  Een oud koloniaal hotel, met de naam Cosmopolitan, staat zo goed als op instorten maar jonge urban kunstenaars van alle slag hebben er hun intrede gemaakt. Ze stellen er hun creaties tentoon in de oude kamers die niets meer van de vroegere grandeur hebben maar die een ander soort vibe teweegbrengen. Hoe het nieuwe en het oude nieuwe mogelijkheden biedt.
Johannesburg is een amalgaan van verschillende variëteiten op het thema oud en nieuw. Waar middenklasse zwart Afrika haar identiteit meer lijkt te zoeken in een mix van Westers en Afrikaans, lijken andere wijken meer te gaan voor een mix waarbij de Afrikaanse cultuur domineert. Waar ooit Westerse winkelcomplexen waren, worden die nu overspoeld door duizenden prularia winkeltjes waar je evengoed een pak sigaretten als een camera kan kopen. Informele kraampjes rijzen er overal uit de grond en is er geen straat waar geen tien haarsalons aanwezig zijn. Het rijden in dit deel van de stad blijkt ook geen sinecure en links en rechts, voor en achter, laveren mensen tussen de auto’s.

Het is zo boeiend, de bevolking van een stad, een land op zoek naar een identiteit, enerzijds zo gevangen in zijn verleden, anderzijds zoveel mogelijkheden om uit te putten. Morgen SOWETO. 

SOWETO

South Western Township, een mythische plek… en toch vragen vele blanke Zuid-Afrikanen zich af wat wij daar willen zoeken. Dit is niet waar je moet zijn: gevaarlijk, drugs, armoede en vooral een smet op het blanke verleden.
We worden verwelkomd door Stanley. Zijn familie woont er al generaties in hetzelfde huis. Als enige overlevende zoon is hij de erfgenaam van het huis. Townshiphuizen of ‘matchboxhouses’ zoals ze ook worden genoemd, werden gebouwd toen vele migranten zich in de streek vestigden voor de mijnbouw. Ondertussen is Soweto uitgegroeid tot een klein land (in onze termen) want het telt 4,5 miljoen inwoners. Stanley’s huis telt twee slaapkamers, eentje voor de ouders samen met hun tweejarige zoon en een kamer voor de dochter. De derde kamer is keuken, eetplaats en tv-kamer. Het heeft alles wat het moet hebben maar is onnoemelijk klein. In de tuin staan nog drie ‘shacks’ of hutten. Die worden verhuurd en huizen andere families. Dit zorgt voor extra inkomen. Stanley werkte vroeger als croupier en cocktailbarman in een casino even buiten Soweto. Tegenwoordig gidst hij toeristen in zijn wijk Orlando. Hij neemt ons mee door de straten en we lopen menig vriend van hem tegen het lijf. Blanken zijn er geen dagelijks zicht en vriendelijke begroetingen worden nu en dan gevolgd door een vraag naar een kleine bijdrage voor een sigaret of drank. Eenmaal word ik nagezongen dat ik de vrouw van de zangers leven ben. Ze leren ons zelfs begroeten in Zulu.  Het is rustig op een zondag in SOWETO en groepen mensen gaan of komen van de wekelijkse kerkdienst. Vele vrouwen zien eruit als ‘zusters’. Witte gewaden met kleurrijke kappen kleuren de straat. Jongeren maken van hun vrije tijd gebruik om aan hun wagens te prutsen of troepen samen rond een ‘townshipwinkel’. Soweto heeft het gevoel meer een dorp dan een stad te zijn.
Ondertussen worden we gegidst doorheen de geschiedenis van de wijk aan de hand van platen die op een pleintje staan verzameld. Ze zorgen voor een gemeenschappelijke herinnering aan het verleden maar de staat waarin ze zich bevinden, doet me vermoeden dat dit wellicht met de volgende generaties zal verdwijnen. Een weinig verder komen we aan het stationsplein omgeven door het hospitaal, politiekantoor en natuurlijk het station. Perfecte plek om kraampjes neer te poten waaronder de fastfood ‘take away’ van de buurt. Migranten uit Zimbabwe verkopen er ‘dust chicken’, refererend naar het stof in omgeving. De kippen liggen met hun poten gespreid te braden op het braaivuur en voor een luttele rand meer kan je er pap en tomatensaus bij geserveerd krijgen. Heel gemakkelijk, zegt Stanley. Ik kom hier vaak als we geen tijd hebben om voor de familie te koken. We wandelen verder, wandelen voorbij een gebouw dat nu een of andere new African church huist. We horen de predikant roepen gevolgd door een menigte die telkenmale Yeahhhhhhhhhhhhh keelt…. We gaan niet binnen want Stanley weet iets interessanter om te tonen, zegt hij fier. Tussen de hoge grassen toont hij ons de verboden en verborgen marihuanaplantages van de streek. De politie weet hier niks van, beweert hij en hij voegt er rap aan toe dat hij niets gebruikt. Toch is hij ervan overtuigd dat het uitstekend is voor de gezondheid. In Jamaica heeft niemand kanker omdat ze marihuana gebruiken, zegt hij. Wellicht kent hij Bob Marley niet….
We nemen de taxibus naar een zeer bevreemdende plek. Een groene plek in Soweto waar je de Oppenheimer toren kan beklimmen. 49 treden moeten we op want er zijn 49 districten in Soweto. Het zicht over de hele township is impressionant. Zover je kan zien zie je de matchboxhuisjes netjes in rijen opgelijnd staan. Van bovenuit zien ze er allen eender uit, wanneer je ertussen wandelt, zie je dat elke bewoner zijn huis naar eigen smaak maar vooral eigen vermogen inricht. Naast de toren is een African Village, ooit gebouwd door Credo Mutwa, filosoof, architect, kunstenaar… en voorspeller van de aanslag op 11 september en Aids. Het schilderij waarin hij de aanslag voorspelt, zie je in een van de hutten van het dorp en werd in 1979 door hem geschilderd, zo wordt ons verteld door de plaatselijke gids. De beelden waarmee hij Aids heeft voorspeld staan buiten. Het is frappant maar tegelijk een beetje voor interpretatie vatbaar. Het dorp werd gebouwd om ook hier de geschiedenis van Afrika niet te vergeten en hier heb ik terug de indruk dat dit aan verval is overgelaten en buiten wat spelende kinderen zie je er weinig mensen bezoeken. Onze gids aldaar bleek ons ook niet te verwachten. Hij was in slaap gevallen.  
Terug de taxibus in en de rit bracht ons naar het plaatselijke Lourdes van Zuid-Afrika, het voormalige huis van Nelson Mandela in Orlando, Soweto. Bussen met vele toeristen staan op de parking voor de straat. Voor de eerste keer vandaag zijn we niet de enige blanken en ook hier staat de straat vol met de vele kraampjes die je ook in Lourdes kan terugvinden. Dezelfde souvenirs als Lourdes worden hier verkocht, niet met de katholieke beeltenissen maar Nelson Mandela, en wellicht ook in China of Taiwan gemaakt. Vele restaurantjes en pubs ontvangen de vele toeristen. Het huis zelf is gerestaureerd en werd een museum met foto’s, teksten, krantenknipsels, …. die getuigen van de bewondering die de wereld voor Nelson Mandela had. Buiten in de tuin onder de familieboom, die diende als begraafplaats voor familieleden, werd een gedenksteen geplaatst bij het overlijden van Nelson Mandela.  Hier is ook zijn plek. Als voorbestemd staat in dezelfde straat de school waar Hector Pieterse werd neergeschoten en waar het bekende portret werd genomen van een wenende broer die met Hector loopt naar het ziekenhuis. De school is er nog en de wreedheid van het apartheidsregime wordt hier werkelijkheid. Politiemannen jagen kinderen op met honden toen ze protesteerden tegen het Afrikaner onderwijs. Wat bezielt een mens om een ander zo te minachten?
Het bezoek aan Soweto laat je niet onbevangen. Er zijn niet enkel de ‘bezienswaardigheden’ maar ook het gewone leven laat een impressie achter. De verhalen van Stanley die het niet zo heeft begrepen heeft op de regering, geven ons een beeld van het leven in een township. Hij toont ons het nieuwe sportstadium van Orlando. Het oude moest plaatsmaken voor een nieuw maar mag niet meer gebruikt worden door de plaatselijke jeugd. Hij vertelt hoe hij er vroeger kon trainen als atleet maar nu krijgen jongeren zelfs die kans niet meer. Ze worden van alles beroofd om hen een beloftevolle toekomst te geven. Ze nemen de sportzalen weg en kinderen eindigen in de criminaliteit omdat er geen plekken zijn waar ze naartoe kunnen, vertelt hij. Jongeren worden niet gemotiveerd om naar school te gaan want er is geen werk en terug is er het verhaal dat er meer te verdienen valt met het verkopen van illegale goederen en drugs. Toch probeert hij zijn dochter een degelijk opvoeding te geven en is hij ontzettend fier op haar prijzen als beste lezer en karategirl. Het blijft zo tegenstrijdig. Je gaat er een plaatselijke winkel binnen en de eigenaar zit achter tralies. Daarentegen lijkt iedereen mekaar te vertrouwen in de taxibusjes. Geld wordt van achter naar voor doorgegeven en de passagier naast de chauffeur telt het na. Ik zie het ons in België niet doen. Zelfs het vertrouwen in de chauffeur is groot want zijn rijkunsten en de staat van de auto’s zijn vaak avontuurlijk. Zijn we in België gewoon aan de bestemming op de bus, daar wordt in Soweto gewoon de hand opgestoken en het aantal vingers in de lucht vertelt de chauffeur in welke zone je moet zijn. Je wordt er keurig afgezet.
We eindigen ons bezoek in het apartheidsmuseum. Het is een heel imposant gebouw. De geschiedenis van apartheid krijg ik terug voorgeschoteld. Grote foto’s uit beider groepen tonen ons de pijnlijke periode. Het was zo kort en toch zo ingrijpend. Meer nog dan het museum voel je de gevolgen. Het viel me op toen een sceptische Afrikaner iemand laconiek antwoordde dat het ‘nieuwe Zuid-Afrika’ alles opnieuw moest benoemen, toen de persoon haar vroeg waarom de stad Bella Bella vroeger Warmwater heette. De wonden zijn nog niet genezen en beide groepen zijn nog achterdochtig.

Als contrast eindigen we onze dag op een van de heuvels van Jo’burg. Het is niet Beverly Hills maar Jo’burg Hills. We zijn er op uitnodiging van een vriendin die ons van het mooie zicht wil laten genieten. We rijden er door een wijk met prachtige mansions. Ter plekke worden we in de garage afgehaald door een golf cart en naar een glazen lift van het hotel gebracht. Vanuit de lift kunnen we al genieten van een zicht over Jo’burg. De stad ligt onder ons… een stad met veel gezichten. Het leven dat je er leidt, hangt af van de klasse waartoe je behoort. Rijkdom en armoede liggen rug aan rug. Soms raken ze elkaar, vaak worden ze met elkaar verweven. Even konden we smaken hoe het is om aan beide zijden van die tegenstelling te leven. 

zondag 7 april 2013



Nelson Mandela en de kracht van een man. 

Zuid-Afrika slaakt een zucht van verluchting. Nelson Mandela, Madiba of tata mag terug naar huis. Een van de meest gestelde vragen de laatste weken was wellicht ‘Wat zal er met Zuid-Afrika gebeuren na zijn dood?’ Een vraag die misschien meer irrelevant dan relevant is maar toch een vraag die velen bezighoudt, zo blijkt. Gisteren op een etentje bij vrienden kwam het gesprek even op de man die velen, zeker van onze generatie, meedragen als een held uit het Zuiden. Zoals een van de gasten het formuleerde: Mandela en Che Gevara sierden onze muren in de roep voor een betere wereld.  Ook ik, als jonge studente, zong luid mee op de tonen van ‘Free Nelson Mandela’. Veel wist ik nochtans niet over Zuid-Afrika. Er was Zola Budd, de fantastische atlete die op blote voeten liep en de Britse nationaliteit kreeg omwille van Apartheid. Er was ook Pieter-Willem Botha, de grote krokodil en de premier van dit land met een verderfelijk regime en waar bovendien iedereen van het blanke ras Botha heette, dacht ik. Er was Helene Pastoors die een bomauto had laten ontploffen en waarrond in ons land ook heel wat heisa was ontstaan. Er waren Paul Simon en Miryam Makeba, die me de  zwarte Zuid-Afrikaanse klanken leerden kennen en me op die manier lieten kennismaken met de andere kant van Zuid-Afrika maar er was vooral de foto van het dode lijkje van Hector Pieterson, het dertienjarig jongetje dat het leven verloor tijdens de Soweto Uprisings in 1976. Die foto is mijn eerste herinnering aan Zuid-Afrika. Als kind van ongeveer dezelfde leeftijd kon ik maar niet begrijpen waarom die wrede politiemannen een weerloos kind konden doodschieten. Het was iets onwezenlijks. Veel begreep ik niet van Apartheid, wel dat het verschrikkelijk was om mensen van een andere huidskleur anders te behandelen, zelfs te vermoorden en al zeker om op een hoop onschuldige kinderen schieten. Het was toch niet meer van onze tijd en voor zover ik het toen begreep, in een land met een zekere beschaving was dit not done. Een reflectie die voor een elfjarige te begrijpen valt en zeker in de tijdsgeest van eind jaren 70, waar beschaving brengen nog een nobele opdracht was alsof er geen beschaving was in Afrika. Gaandeweg bleef dit land me boeien. Ik herinner me de nieuwsberichten van toen en hoe Frederik Willem de Klerk Botha aan de kant schoof en dit de eerste tekenen tot verbetering waren. Het verbod op het ANC werd opgeheven en dit alles leidde tot de vrijlating van Nelson Mandela. Eureka! 

Nelson Mandela en de gebeurtenissen waren toen voor mij een symbool dat er nog veel onrecht in de wereld was maar ook het geloof dat strijden vanuit de basis een kans tot slagen heeft en dat het onrecht dan wel zal verdwijnen. Nochtans lijken de beelden en verhalen die ons dezer dagen bereiken, twintig jaar na apartheid, niet erg hoopgevend. Zuid-Afrika is voor velen een land van geweld en armoede geworden, nog niet zo erg als Congo, als we dan toch een referentie moeten nemen, maar toch. We krijgen reportages over  verkrachtingen, drugsproblemen, Aids, extreme armoede, townships, corrupte politici en rassengeweld met als metafoor de verzuurde extreem rechtse Afrikaners die zich voorbereiden op een rassenoorlog in trainingskampen. Het lijkt wel een natie op drift waardoor een vraag 'Wat moet er met Zuid-Afrika gebeuren als Nelson Mandela sterft?' niet onlogisch lijkt.  
Er zijn veel problemen. Problemen die men niet correct heeft ingeschat bij de overgang. De vraag is natuurlijk of men die had kunnen inschatten. De basis waarvan men vertrok was er een met een minderheid van blanke welstellenden, veel arme zwarte armoede maar misschien meer nog een land dat werd open gesteld aan een wereld die in een razend tempo zijn stempel drukte op de Zuid-Afrikaanse samenleving. De vrije markt nam over, er was te weinig correctie vanuit de regering en er bleef de grote kloof tussen arm en rijk.

Ik moet eerlijkheidshalve bekennen dat ons verblijf daar me ook soms moedeloos maakt. Bezoeken aan de townships zijn geen streling voor het oog. Vaak was ik geschokt door de gedrogeerde jongeren die doelloos rondhangen, de blikken, soms apathisch, soms agressief van Aidspatiënten die op hun medicatie wachten, scholen waar geen boeken aanwezig zijn en kranten die vol staan met verhalen van een corrupte Zuma en de zijnen die ondertussen het belastingsgeld gebruiken voor eigen gewin. Niet alleen de townships shockeren. Er is de blijvende segregatie, een erfenis van apartheid die hardnekkig stand houdt. Rijken blijven in hun enclaves leven, nu geen louter blanke elite maar ook een zwarte, die zich beiden afscheiden van het arme Zuid-Afrika. Je stapt in je beveiligde compound in de wagen en stapt er uit in de bewaakte garage van de shopping mall. De obsessie van het geweld heeft er veel mee te maken. Zuid-Afrika heeft een obsessie met geweld. Er is veel geweld maar er zijn niet alleen slachtoffers van het fysieke geweld maar tevens het geweld waarmee wapens, beveiligingssystemen, verzekeringen aan de man worden gebracht en de idee dat men het recht in eigen handen mag nemen. Het sluit mensen meer van elkaar af. 

En toch is er de vrees dat het nog slechter wordt, eens Mandela er niet meer is. Ik denk wellicht nog meer in het buitenland dan in Zuid-Afrika. Vreest men werkelijk een opstand die nu nog ingehouden is uit respect voor Madiba en dat men zijn ANC niet wil beschadigen? Wat is het met Madiba dat hij moet blijven leven omdat het land niet zou verscheuren? En leeft die perceptie ook in Zuid-Afrika? 
Ik kan niet spreken voor Zuid-Afrika als land maar ik kan wel getuigen uit mijn vele gesprekken en observaties die ik het afgelopen jaar heb gedaan in Kaapstad dat het wellicht niet zo een vaart zal lopen. Persoonlijke verhalen en werken vanuit de basis zorgen ervoor dat de realiteit toch veel genuanceerder is. Er zijn de structuren die nog verre van perfect werken maar er zijn de zovele getuigenissen die ik heb gehoord van mensen die er wel nog in geloven. Er zijn de zovele initiatieven waarbij mensen de kloof tussen arm en rijk proberen te verminderen door lokale projecten op te starten, er zijn ook de initiatieven uit de regering zoals gratis Aidsremmers uitdelen, er zijn de scholen die wel werken, de universiteiten die gemengd zijn,  buurten waarbij de beveiligingssystemen niet zo prominent aanwezig zijn, waar de segregatie niet zichtbaar is en er zijn zelfs vrouwelijke buschauffeurs met hoofddoek. Meer en meer krijgt men ook de zwarte en gekleurde intellectuelen die op de voorgrond treden, er zijn ook de schrijvers, muzikanten, filmmakers maar ook bedrijfsleiders, winkeliers, restauranthouders, boekhouders, secretaressen ... mensen die een voorbeeld zijn voor de vele andere en de reden zijn om te blijven dromen van een toekomst waarbij ook hen mogelijkheden zullen gegeven worden en waarbij zij ook hun verhaal kunnen delen. 

Velen geloven in Mandela, zijn boodschap voor een betere wereld en velen nemen die ook ter harte.  Hij heeft voor zijn land geleden en hij was in staat zijn leven terug op te pakken zonder iemand te veroordelen. Het is net die kracht die Madiba uitstraalt bij de Zuid-Afrikanen en hun geloof in een betere toekomst. Het symbool Mandela zal niet zo rap verdwijnen, zelfs niet als de man er niet meer is. 
Velen zullen tranen laten, ongetwijfeld en ik zal zeker een van zijn, maar zijn nalatenschap zal ondanks alle huidige problemen stap per stap leiden tot een land dat het leven voor iedereen 'draaglijk' maakt. 








woensdag 7 november 2012

Kamer met een ander zicht

Ooit begon ik mijn blog met 'Ik logeer in wat ooit de vertrekken van de meid waren in een oude Engelse villa. Het zicht is fantastisch. Ik kijk uit op Tafelberg, met aan zijn voeten Kaapstad. De stad waar ik op zoek ga naar ervaringen van mensen met hun stad.'
Ondertussen zijn we twee maanden verder en heb ik een kamer met een ander zicht. 
Het zicht is prachtig. Het Boutersems groen en platteland zouden me mateloos moeten inspireren maar het direct contact met de Zuidafrikaanse realiteit is er niet meer, de motiverende gesprekken vallen weg, de huishoudelijke plichten roepen weer, hond en kat roepen om aandacht, besognes van familie en vrienden eisen mijn aandacht, lessen beginnen en mijn blik vervaagt wat. Het wordt allemaal een beetje blurry ... en ik geef toe aan de vele afleidingen die er rondom mij zijn en zoek soms excuses om mijn gebrek aan motivatie te verklaren. Ik ben ook maar een mens, denk ik dan. 
Tot gisteren ... Nikita, een medestudente, en ik besloten om samen te werken in de bibliotheek. Zij schrijft over haar ervaringen uit Indie, waar ze leefde in een lepracommune. Ik besloot me terug te concentreren op mijn verhalen uit Zuid-Afrika. Ik moet tenslotte dit jaar een thesis afleveren waarin ik mijn ervaringen verwerk op een antropologische manier. Ik stort me op wat literatuur die me wat duiding geeft bij het verwerken van de ervaringen, ik pruts wat aan mijn tekst, voor de zoveelste keer. Ik slaag er niet in om iets te schrijven wat me voldoening geeft. Ik weet eigenlijk zelf niet meer wat ik moet vertellen en nog minder hoe ik het moet vertellen, denk te moeten voldoen aan de regels van de kunst der antropologen en nog steeds ben ik hopeloos op zoek naar die kunst. 
Dan kwam de pauze ... pauzes zijn een welkome afleiding voor studenten. De pauze bleek voor mij het moment waarbij misschien de vicieuze cirkel van geklaag en gezaag wordt doorbroken. Als bij toeval bleek mijn promotor ook nood aan een welkome afleiding te hebben, en wellicht nog meer aan een sigaret. Eerlijk gezegd durf ik de mens niet meer onder ogen te  komen. Mijn openheid en vertwijfeling, frustratie die ik soms teveel met hem deel  maar vooral mijn gebrek aan tekst, zorgen ervoor dat ik liever de andere kant opkijk dan met hem te moeten babbelen. 
Maar nood breekt wet ... dan begin je maar onhandig een gesprek ... en zeg ik dat ik voor hem aan het werken ben. Hij is tenslotte mijn promotor en hij moet de thesis lezen. Zoals gewoonlijk is hij niet echt onder de indruk maar probeert hij me toch wat promotorlijke raad te geven: 'Je moet niet voor mij werken, maar je moet dit voor jezelf doen.' Ik kreeg het tot twee maal toe te horen.  Eerlijk gezegd, meestal ben ik rap van antwoord, nu ontbrak de fut me iets te zeggen, er raasde nochtans van alles door mijn hoofd maar ik dacht 'Ik stel me vaak te kwetsbaar op en daar heeft die mens geen boodschap aan. Er zijn zoveel studenten, er zijn zoveel thesissen en wat voor mij mijn hoofdbekommernis is is voor hem routine. Laat hem gerust.'
Met de moed der wanhoop en met een promotorlijke raad die ik weer maar eens niks vond, zette ik mij weer achter de boeken. Nog beter, nu schrijf ik een thesis voor mezelf, dacht ik ... dat helpt ... qua motivatie kan dit wel tellen ... 
Maar misschien kent de man me beter dan ik denk, misschien ook niet maar hij blijkt toch een gevoelige snaar geraakt te hebben. Zijn woorden zinderen de hele dag door het hoofd, ben ik wat 'pissed' en denk ik ... hmmm ... voor mezelf ... deed ik daarom die studies: voor mezelf? Ben ik naar Kaapstad getrokken om mijn eigen nieuwsgierigheid te bevredigen? Doe ik die studies om mezelf te verrijken, lettelijk en figuurlijk? Ondertussen lees ik een lezing gegeven door Rene Devisch, emeritus professor van ons departement, ter gelegenheid van zijn Eredoctoraat in Kinshasa. De man vertelt over wat hem motiveerde antropologie te doen en vooral wat voor hem een antropoloog is. Het inspireert me, voor de eerste keer sinds lange tijd, krijg ik weer wat moed. Ik wil ook verhalen brengen van gewone mensen.   Antropologie studeren voor mij was om op een andere manier te leren kijken naar mensen en meer nog om op een andere manier over mensen te schrijven. Hoe kan ik een stukje realiteit van de inwoners van Kaapstad proberen weer te geven zonder aan de echtheid van hun ervaringen in te boeten maar ook met een zekere objectieve blik. Ik wil aan de hand van subjectieve verhalen van mensen te proberen proberen te begrijpen hoe samenlevingen voortdurend evolueren en nog meer hoe mensen ermee omgaan. In die zin doe ik het voor mezelf. Maar ik doe het vooral voor hen want hun verhalen die ze mij toe vertrouwden verdienen om gehoord te worden. Hun realiteit is niet zo zwart/wit als die uit de geschiedenis blijkt en aan de hand van hun subjectieve ervaringen hoop ik hiermee een ander meer genuanceerd beeld te kunnen geven. Dit ben ik hen nu wel schuldig. En ... ik doe het toch ook een beetje voor jou, promotor, eerst en vooral omdat ik van jou wil leren hoe ik moet schrijven over mensen maar ergens heb ik ook nog altijd de ijdele hoop dat ik jou ook al is het maar voor even, wat kan boeien met mijn verhalen over het beleven van een groep Afrikaners in hun stad,  Kaapstad. 








zondag 26 augustus 2012

Afrikaanse Kos en meer



"Wat is dit? Vir jou, se Pappa. Omdat jy verjaar. Vier dik stomppote. Twee ore soos vadoeke waaruit stukkies gebyt is. Op sy rug en sy kop  'n bult vol dun rooierige haartjies. Aan sy dikke boude 'n stert, nog langer as Ping se vlegsel. Maar die allergekste aan de grote, gekke hond is dat sy neus tot op de gront hang. Dit is niet een neus nie, dis 'n slurf, lag Pappa. En dis nie 'n hond niet, Marthe, dis 'n olifant." Zo las Antjie Krog voor uit de vertaling van een 'wonderlijk' Vlaams kinderboekje "Sam, 'n ware verhaal van 'n dogtertjie en haar olifant" van Ingrid Vander Veken. Lapa uitgewers gaf haar jaarlijkse bijeenkomst waarbij Afrikaanse schrijvers hun boek kunnen voorstellen. Naar jaarlijkse traditie wordt ook een Vlaamse schrijver uitgenodigd. Deze keer had Antjie, gerenomeerde Zuid-Afrikaanse scrhrijfster, het boek gekozen. Ze verbleef in het 'schrijvers' appartement te Antwerpen, en vond in de rekken het leuke boekje van Ingrid over het verhaal van een meisje dat voor haar verjaardag een olifant kreeg, een echt gebeurd verhaal nota bene.
Het was georganiseerd in de gebouwen van de literaire kring van Nederlandse - Afrikaner literatuur. Er is altijd een band geweest tussen Zuid-Afrika en Vlaanderen en dit bewijst ook deze bijeenkomst. Is het de taal of is er meer? Afrikaners zijn natuurlijk afstammelingen van Nederlanders en Duitsers maar er is toch een zekere compliciteit met Vlamingen. De taal ligt in elk geval dichter bij het Vlaams dan het Nederlands. Ingrid wijst me er zelfs op dat er veel gelijkenis is tussen West - en Oostvlaams en het Afrikaans. De sk-klank draagt ertoe bij en ook de dubbele negatie en uitspraken zoals gezei en seun maar niet enkel de taal, er is nog meer.  Toen ik het gebouw binnentrad, dacht ik terug aan een gesprek met een Zuidafrikaanse vriend die pas in Belgie op bezoek was en gevraagd werd om er een kunstwerk te maken dat typerend is voor Vlaanderen maar dat ook de verschillende culturen samenbrengt. Het kunstwerk moet nog bekend gemaakt worden maar laat mij zeggen dat het om eten en drinken gaat. Hij vertelde me dat dit hem had getroffen. 'Mensen blijken elkaar te vinden in restaurants, tea-rooms, cafe's en dat dit de plekken zijn waar Vlamingen, Belgen en andere culturen geen onderscheid maken. We eten allen Chinees, Vlaams, Belgisch, Turks, Spaans.
En net dit is wat me hier nu ook opvalt. Afrikaners houden ook van eten en drinken. Geef toe, om op een literaire bijeenkomst aan te komen om 9 uur 30 's morgens en een glas wit wyn te krijgen als verwelkoming, kan wellicht enkel ook bij ons gebeuren. Alhoewel wij eerder een glas bier zouden aangereikt krijgen. Niet enkel wijn was er om onze smaakpapillen te verwennen maar nog meer de gerechten die allemaal het resultaat zijn van een geschiedenis van diverse culturen zoals hun namen al laten vermoeden. Grote schalen met met bobotie sosaties, samoosas, vetkoek en natuurlijk ook de zoetigheden melktert, koeksisters, malvapudding, tamboesies sierden de tafels.
Soms zijn er toevalligheden, maar ook in haar boek 'Change of Tongue' beschrijft Antjie Krog het belang van de kombuis (keuken) bij Afrikaners. Haar Ouma maakte ooit een heel feestmaal voor een Engels gouverneur generaal, de vijand nota bene. De liefde voor het eten straalt uit de brief die haar Ouma over het evenement beschreef: "Klasie presented this enormous pudding to him in a newley painted wheelbarrow. With the coffee we served milk tart, koeksisters and Aunt Stoffie's feather-light jam puffs and paper-thin slices of guava marinated in port."
Er is veel geschreven over Afrikaners en ze hebben heel zeker een complexe geschiedenis maar als ik nu terug 'huis toekeer'  zal ik net zoals mijn Zuidafrikaanse vriend de Vlaming identificeert met de eetcultuur, ook de Afrikaner associeren met heerlijke gerechten en een glaasie wijn. En wellicht ligt hier onze compliciteit, in het vermogen om de cultuur van de andere in onze cultuur op te nemen, zij het dan via de eetcultuur.
 



zaterdag 18 augustus 2012

Frustratie

Zuid-Afrika, een land in verandering, maar een land met grote frustraties. De beelden van de afgelopen dagen over de schietpartijen zijn shockerend en vele analyses achteraf ook. Politici verdringen elkaar op het scherm om de schuldige aan te wijzen. Het is de fout van het ANC, het is de fout van de politie, het is de fout van de vakbonden, het is de fout van iedereen...maar wellicht nog het meest van de armoede. Ook de onlusten de afgelopen week in Kaapstad. Tijdens mijn verblijf de afgelopen weken heb ik me voortdurend proberen af te vragen hoe ik in dergelijke omstandigheden zou kunnen leven. Mensen proberen creatief te zijn, sommige proberen er iets van te maken, andere proberen hun dromen waar te maken...maar men kan het romantiseren, de harde realiteit is dat velen geen lopend water hebben, velen geen elektriciteit, geen sanitair en alcoholisme, drugs, vrouwenmishandeling er welig tieren. Neem nu de mijnwerkers, leven in dezelfde omgeving, werken in zeer ongezonde omstandigheden en verdienen 400 Euro per maand. Eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik in al mijn radeloosheid, frustratie en woede ook zou protesteren en wellicht stomme dingen zou but so what, wat heb je te verliezen? Als je je menselijke waardigheid niet meer hebt, wat rest er dan nog? Twintig jaar na apartheid is het nog steeds een strijd voor de zwakkeren. Al hun hoop was gericht op een beter leven voor iedereen en nog altijd blijft een grote hoop leven zonder een beter leven. Twintig jaar na apartheid, heerst er nog altijd apartheid. Niet noodzakelijk de blanke tegenover de zwarte, maar de rijke tegenover de arme. En toch moet er verandering komen. Daar draait het hier nog altijd om 'change'. Hopelijk zien de politieke leiders in dat er change moet komen voor iedereen. Want na al mijn gesprekken hoor ik vooral frustratie. Wellicht zijn er politieke theorieën, economische en heel zeker ook antropologische, maar soms bij het zien van dergelijke beelden moet men zijn verstand eens uitschakelen en het buikgevoel laten domineren. Eens te meer is de arme Afrikaan het slachtoffer. Laat me eindigen met een van de boegbeelden van de négritudebeweging. 

Aime Césaire
those who have invented neither powder nor compass
those who could harness neither steam nor electricity
those who explored neither the seas nor the sky
but those without whom the earth would not be the earth
gibbosity all the more beneficent as the bare earth even more earth

my negritude is not a stone, its deafness hurled against the clamor of the day
my negritude is not a leukoma of dead liquid over the earth’s dead eye
my negritude is neither tower nor cathedral

it takes root in the red flesh
of the soil it takes root in the ardent flesh
of the sky it breaks through the opaque prostration with its upright patience

Eia for the royal Cailcedra!
Eia for those who have never invented anything
for those who never explored anything
for those who never conquered anything

maandag 13 augustus 2012

Pink boots


Klik hier om het volledige album te bekijken

'God created the rose in the likeness of Woman'. Zo stond op het kaartje dat Kamilla en ik ontvingen op een van onze bezoekjes aan de  townships van Strand. Vijf dames in blauwe t-shirts begeleid door hun mannelijke collega in politie-uniform deelden de kaartjes uit. Ze bezochten de school om alle vrouwelijke leerkrachten een prettige vrouwendag te wensen. Het was niet het enige vrouwengebeuren waarmee we geconfronteerd waren die dag. Bij het bezoek aan de school bleken de vrouwelijke leerkrachten allen weg om samen met de directrice hun vrouwendag te vieren met een kopje koffie. Was dit in een school in België gebeurd dan stond de school wellicht op zijn kop. Hier zaten alle kinderen plichtsbewust te werken terwijl er geen leerkracht voor de klas stond. ‘Dit zou nooit gebeuren in Belgie’, zei Kamilla. De school in de township is een beetje het paradepaardje van Elsa, die me die dag rondleidde. Ze heeft veel bijgedragen voor de school tot het betalen van een muziekleerkracht die een koor heeft opgebouwd, maar er zijn ook de computers en nog zoveel meer. De directrice is fier te kunnen zeggen dat de school in de laatste jaren verdrievoudigd is in aantal leerlingen. 
Ik zou dit verhaal willen wijden ter gelegenheid van vrouwendag aan ‘wonderlijke vrouwen’, zoals ze hier plegen te zeggen. In mijn zoektocht naar verhalen over mensen in postapartheid werd ik in contact gebracht met Elsa. Ze was ooit doctor in zielskunde in Potchefstroom. Zoals velen verliet ze het dorre binnenland om aan de Kaapse kust van haar pensioen te genieten. Ze is overtuigd lid van de Nederlands Gereformeerde Kerk en juist omwille van haar geloof vindt ze het haar plicht om voor de minderbedeelden te zorgen. Mijn eerste gesprek met haar had me in de war gebracht. Verhalen van mensen die apartheid hebben meegemaakt als Afrikaner en deel waren van een systeem, roept ambigue gevoelens op. Op een gegeven moment vertelde me ze dat ze toen in de jaren tachtig de Cosby show op tv zagen, ze voor het eerst beseften dat ‘zwartmense’ ook intelligent konden zijn. Dat in die jaren tachtig veel voor hen duidelijk werd, dat iedereen ‘gelijk is in de ogen van God’. Ik mag geen oordeel hebben maar er bleven vraagtekens in mijn hoofd. ‘Hoe kon een docent zielskunde (psychologie) zo denken?’
Zoals iedere Afrikaner die ik spreek, vond zij het ook goed dat apartheid verdween en dat iedereen nu een kans kreeg. Dit opende een hele reeks mogelijkheden voor een hele hoop mensen maar ook de mogelijkheid voor een volk dat zo achtervolgd wordt door zijn geschiedenis om zich opnieuw te profileren.  Hoewel religie aan belang inboet, is Zuid-Afrika een heel religieus land. Er zijn zoveel religies als er mensen zijn en ondanks de vele problemen in dit land, blijkt er tussen verschillende godsdiensten geen problemen te zijn.  Elsa is ook overtuigd lid van de Nederlands Gereformeerde Kerk en vindt dat in de huidige omstandigheden het haar plicht is om de minderbedeelden te helpen. Ze zamelt fondsen in voor de lokale school in de township om voedsel te kopen, ze organiseert voedselbedelingen in het ziekenhuis voor de HIV-patiënten die hun pil moeten innemen met voedsel, ze wil een dagcentrum voor de kleintjes in de armste township in Strand, Casablanca. Casablanca heeft een exotische naam maar is een trieste aanblik van vervallen huisjes. Elsa toont me het stuk land waar ze het dagcentrum voor de kleintjes wil openen. Nu behelpen ze zich met een kleine container zonder elektriciteit en water om de kinderen op te vangen. Er is maar plaats voor 12 kindjes van de wijk en volgens haar zou het zo goed zijn om alle kindjes van de wijk daar te kunnen opvangen. De armoede is niet te omschrijven in Casablance en niet enkel Elsa maar ook vrouwen van de wijk zelf proberen het er toch ook menselijk te maken voor de inwoners. Irma is een van de mensen die beter af is in de wijk. Haar man heeft werk in de bouwsector en zij hebben een ‘degelijk’ huisje kunnen bouwen. Het is niet groot maar gezellig. Ze heeft ook een fornuis waarop ze soep kan koken. Elsa zorgt voor de ingrediënten en Irma maakt twee keer per week soep in haar Sopkombuis waarbij de buurtbewoners gratis soep komen halen. Zo eten ze tenminste twee keer per week gezond, zegt ze. Toen we vorige vrijdag meehielpen op de 3-maandelijkse tweedehands kledijverkoop in Casablanca, realiseerde ik me pas de ellende. De verkoop had hetzelfde effect als de solden bij ons. De mensen stormden op de kledij en voor 0,2 Euro per stuk konden ze zich een hele outfit samenstellen. Elsa vertelde dat ze geld moesten vragen omdat de eerste keer toen alles gratis was, de mensen begonnen vechten en kleren van elkaar afnamen en zelfs het pand afbrandden.  
Er heerste een soort ruwheid tegenover elkaar op de verkoop. Jongens stormden bij onze aankomst op onze auto af in de hoop een centje bij te verdienen bij het helpen dragen van de zakken. Het kruiperige gedrag, sir, madam ... raak ik niet gewend. Toch was er ook plezier. Pubermeisjes vonden een paar roze laarzen met heel hoge hakken en dit was aanleiding genoeg om het komende uur even in een droomwereld te vertoeven en zich eventjes model te wanen. 
Ik raakte er aan de praat met Jennifer. Ze woont ook in Casablanca en is een beetje aanzien als de mama van de wijk. Ook zij helpt met de sopkombuis omdat ze wil zorgen voor de mensen. ‘I love people’ zegt ze, ‘I don’t have anything but I like to give because I know what it is to be hungry’. Ze heeft drie kinderen, en heeft al de nodige miserie doorgemaakt. Haar zoon was aan tik, soort drug, en heeft haar zelfs beroofd van het weinige dat ze bezat, omdat hij geld nodig had. Hij is gelukkig van de drugs af, zei ze, en heeft nu een job. Haar jongste dochter was zwanger toen ze 15 was en nu draagt zij zorg voor haar vierjarig kleinkind. Ze is zo fier dat ondanks de zwangerschap haar dochter toch goed studeert op school. Dit kon niet zonder de vrijgevigheid van de mensen van kerk, zegt ze. Ze wil zo graag dat ze een diploma haalt zodat ze werk kan vinden. ‘I keep faith in the Lord above. He means the best with us.’ , gaat ze verder. Zij is lid van een Afrikaanse Christelijke kerk en dit houdt haar recht. ‘God is there to take care of us.’
Toen we wegreden ging er maar een gedachte door mijn hoofd. God kan al die ellende toch niet gewild hebben.
En toch is het ontroerend. Elsa samen met haar groep vrijwilligers uit de kerk, wonend in de betere wijk van de stad, probeert haar medeburgers in de sloppenwijk een menswaardig leven te geven. De religie is als een bindmiddel tussen twee delen van de stad. Veel vragen spoken nog door mijn hoofd maar voorlopig wil ik het houden bij de getuigenis van vrouwen die hun sterkte halen uit hun geloof, enerzijds om elkaar te helpen, anderzijds om zin te geven aan hun bestaan. En al is het maar om enkele tienermeisjes een uur plezier te geven aan een paar roze botten ... 'God created the rose in the likeness of Woman'


dinsdag 31 juli 2012

Madiba' s verjaardag


Klik hier om het volledige album te bekijken
Nelson Mandela was jarig. Hij werd 94 op 18 juli en voor een dag is iedereen in de ban van Mandela. Van blank tot zwart en tussenin, iedereen houdt van Madiba of tata (vader), zoals hij hier wordt genoemd. Enkel foto's waren beschikbaar van de jarige man en enkel een kleine schare mensen was toegelaten op zijn feest, maar een hele natie vierde mee door zijn ideeëngoed te eren en 67 minuten aan liefdadigheidswerk te doen.
67 omdat de man 67 jaren van zijn leven gewijd heeft aan de strijd voor de gelijkheid van zijn volk en alle andere volkeren. Net die dag werd de natie ook verlicht van een periode van slecht weer, en konden de vele mensen waarvoor Mandela zo heeft gestreden bekomen van de waterellende die hun townships teisterden. De zon en warme temperaturen bleken meer dan 67 minuten aan community service te doen uit eerbetoon voor Madiba.
Hoe een volk dat zo verdrukt is geweest en zo vernederd, is blijven geloven in een betere wereld maar meer nog hoe een man na zoveel ellende te hebben doorstaan door een regime die hem uitsloot op basis van zijn huidskleur diezelfde mensen heeft vergeven, is bijna onwezenlijk.


Net de dag ervoor had ik met mijn familie District Six museum bezocht. Distrix Six gaapt als een lelijke wonde in downtown Kaapstad en is een symbool voor de apartheidspolitiek die gedurende jaren werd gevoerd. Ooit was het een een arbeidersbuurt, levendig zo gaan de verhalen en heel multicultureel. Vele nationaliteiten woonden bijeen en het werd met zijn vele restaurants en bars aanzien als het uitgangscentrum van Cape Town. Het plaatje van dit leven paste niet in de ordentelijke, zuivere en calvinistische levensstijl die het apartheidsregime voor ogen had. Ruimtelijke ordening in al zijn extremiteit werd dan ook uitgevoerd en wat niet hoort, kan maar beter verplaatst worden naar een ander gebied. In de jaren 60 werd beslist de wijk volledig te ontruimen en af te breken voor een nieuwe blanke wijk die er uiteindelijk nooit is gekomen. Nu is het een deels bebouwd braakliggend terrein. De inwoners werden verbannen naar de Cape Town flats, de andere zijde van Tafelberg. Tot op heden zijn dit de townships die Cape Town als het ware omarmen.
We hadden het geluk Noor te horen vertellen, zelf ooit inwoner en uit de wijk verbannen. Hij begeleidde die dag een groep moslim schoolkinderen, netjes in uniform, sommige meisjes met hoofddoek, sommige jongens met  fez maar een vrolijke bende tieners, nu inwoners van de omgeving rond District Six.
Noor werd geboren in District Six. Hij was tweede generatie in de buurt. Hij stichtte er zijn familie, had er zijn werk en op een dag in 1975  was alles gedaan. Zijn familie had een maand om het huis leeg te maken en te verhuizen. Elke dag zes jaar lang ging Noor naar zijn huis terugkijken tot het op een dag met de grond was gelijk gemaakt.   Noor getuigt van het kleurrijke bestaan in de wijk en de vele culturen die er dagelijks zorgeloos met elkaar omgingen. Wellicht zijn de herinneringen rooskleuriger dan het werkelijke leven maar hoe kan een regime op een dag beslissen dat het leven dat in een wijk werd gecreëerd minderwaardig was aan dat van zijn eigen volk? Hoe kan een regime zo obsessief bezig zijn met het beschermen van zijn eigen soort dat het  mensenlevens gelijkstelt aan een hoop stenen en hoopt dat alles met een bulldozer verdwijnt?   Het zijn vragen die voortdurend door mijn hoofd spoken en spreken met de mensen die toentertijd deel uitmaakten van de apartheidspolitiek biedt me niet altijd een antwoord, alleen maar meer verwarring. Want ook zij zijn mensen, en velen slachtoffer van een dogmatisch beleid.
Niet alleen families werden uit elkaar gerukt in District Six maar ook een hele gemeenschap. De gevolgen zijn dramatisch, zeker voor volkeren waar gemeenschapszin zo belangrijk is en familie de basis is van hun bestaan. Apartheid als enige schuldige aanduiden zou niet fair zijn en de grote ellende die er nu heerst, 20 jaar na apartheid, is tevens het gevolg van een voortdurende veranderende wereld waarbij globalisering, neoliberale politiek, maar ook zo wordt me meer en meer duidelijk, een falend beleid van de regering. 
De  armoede wordt alsmaar schrijnender en de waarden die zo belangrijk waren voor verschillende gemeenschappen verdwijnen en zorgen ervoor dat groepen mensen geen houvast meer hebben.    


Gisteren bezochten mijn dochters en ik een onderwijsproject in een van de armste townships van Cape Town, Lavender Hill, die momenteel geteisterd wordt door het vele ganggeweld. Men vertelde ons dat dit een van de gebieden was waar mensen van District Six werden verbannen. We namen deel aan een programma voor het begeleiden van ouders bij het het opvoeden van hun kinderen. Komend uit ons Belgenlandje, is de aanblik van de huisjes met golfplaten daken, reclamepanelen als muur maar soms ook huisjes waar mensen proberen iets gezelligs te maken door kleine voortuintjes aan te leggen, toch telkens wennen. Meer nog, hoe mensen met zoveel op zo een kleine oppervlakte leven, is helemaal onbegrijpelijk.  En toch leven de mensen er verder, fietsen ze er, zie je vrouwen kletsen, zie je mannen keuvelen... Mijn onwetendheid van het leven in een township bleek algauw tijdens een van de gesprekken met Natasha, een van de ouders. Ze is alleenstaande moeder van een zoontje van zeven en woont samen met haar mama niet ver van de school. Quality time met de kinderen was het thema van de bijeenkomst. We moesten elkaar vertellen hoe we dit invulden. Ik zei dat ik dit met mijn kinderen deed in de keuken als we kookten. Ze antwoordde dat dit niet ging want dat ze enkel een ruimte hadden die diende als slaapkamer en keuken en dat het te krap was. Toen repliceerde ik dat ze dit ook aan tafel kon doen en ze antwoordde dat ze zelfs geen tafel hadden. Dan realiseerde ik me dat ik me in de verste verte niet kan voorstellen wat het leven in de townships moet zijn. Beide zijn we moeder, en beide willen we het beste voor onze kinderen maar toch zijn de kansen niet dezelfde en toen ik de moeders, tienermoeders tante, oma en een papa er zag zitten, wist ik dat die kansen zo belangrijk zijn. Zelf hebben ze nooit genoten van een degelijke opleiding, worden ze geleerd hoe ze moeten spreken met hun kinderen, dat het lezen en vertellen van verhaaltjes zo belangrijk is om hun kinderen nieuwe woordjes te leren. Voor ons is dit een evidentie, voor die mensen niet. De mama's, tante, oma vol trots horen vertellen hoe zij hun quality time invullen en hun kinderen begrippen leren kennen aan de hand van dingen die ze samen doen, een mama die heel fier zei 'mijn kind zou dit walvisboekje leuk vinden want hij houdt van boten en walvissen', is ontluisterend maar tegelijk ook hard. De wil om hun kinderen een goede toekomst te geven, straalt van hen af maar het besef dat deze kinderen wellicht niet echt de kansen kunnen krijgen om degelijk onderwijs te genieten is wel de realiteit. De omgeving waarin ze wonen is er een van gangstergeweld en drugs en quick money en dit is de nabije toekomst van de vele onschuldige, vrolijke kinderen die we die dag ontmoetten. Desmund Tutu verwoordde het mooi, de dag na Madiba's verjaardag: 'Madiba se hart sou bloei, gelukkig weet hij niet van alles'.


En toch wil ik niet negatief eindigen, want ondanks die harde realiteit, zijn er toch mensen die zich belangeloos inzetten om deze gemeenschappen te helpen. De leerkrachten van de school die elke dag de kinderen begeleiden, de vele vrijwilligersorganisaties zoals die van Brigid en vele anderen die de mensen proberen de tools in handen te geven om een beter leven op te bouwen. Er is in dit land veel ellende maar ook veel good-will van zijn inwoners om iedereen gelijke kansen te geven. Net zoals de anti-apartheidsbeweging indertijd het mogelijk maakte om het tij te doen omkeren, zal het nu ook mogelijk zijn om samen met de verschillende gemeenschappen, blank en zwart, rijk en arm, beetje bij beetje de armoede en de ellende te overwinnen en de droom van Madiba waar te maken. Zoals Tutu ook zijn interview eindigde: 'daar is baie wonderlijke mense van alle rasse wat Suid-Afrika met 'n groot passie liefhet'. Dit stel ik ook vast in mijn zoektocht naar hoe postapartheid evolueert.